Het zou prettig zijn om een andere werkruimte te hebben – dat valt te onderzoeken – geen loods waar je drie maanden in de zomer wegkookt, maar een ruimte tussen de bomen. Dus, tussen de wonderbomen. Hieraan gaat vaak een hele (financiële) planning aan vooraf en er zijn vooral mensen beschikbaar die jou hier in willen helpen. Ze kunnen het hebben over een veranderende markt en hoe je je daartoe kunt verhouden. Wellicht tussen de wonderbomen.
Ten eerste begint het met opruimen. Wegdoen van ballast wat je niet meer nodig hebt. Dat geeft ruimte om te groeien en ruimte om te doen wat daadwerkelijk belangrijk is. Groeien betekent ook netwerken. Soms met een kaartje, soms alleen antwoord geven op gestelde vragen. Maar wellicht is het meest belangrijke: alleen doen waar je zelf achterstaat en plezier aan beleeft. Dat is – kort door de bocht – wat een werk karakter geeft. En daarbij geldt een aloude uitdrukking: “Een broedende kip moet je niet storen.”
Naaien vind ik best wel leuk, maar het valt niet altijd mee om het leuk te houden. Misschien is dat nog wel de grootste kunst. Een inschattingsfout is door overschatting of niet realistische verwachtingen soms snel gemaakt. In de hoogzomer in de hitte werken met de gordijnen open of dicht overdag is soms een ‘noodzakelijk kwaad’. Het werk is dan soms lastig te zien. Het liefst vermijd je dat en pak je het werk in de middag weer op.
De ambacht blijft de basis. Het zelf technieken beheersen is de basis en dat moet blijven. Technieken kun je uitbouwen, aanleren en door ‘vallen en opstaan’ kom je verder. Daarbij kun je je afvragen of de ontwikkelingen van nieuwe structuren en technieken niet duidt op een grote leegte: het verlies van ambachtelijk besef en deskundigheid. 
Je hoeft het niet alleen te doen.
